Praktijk

Rijschool Rama

De Rijopleiding In Stappen

 

 

 

 

Het examen bestaat enkel uit een proef op de openbare weg. De manoeuvres worden op de openbare weg uitgevoerd. Om toegelaten te worden tot het praktijkexamen moet het examenvoertuig technisch in orde zijn. Deze controle omvat:

Ruitenwissers – fysieke aanwezigheid

Handrem

Tweede achteruitkijkspiegel

Koetswerk

Banden

 

Manoeuvres

 

Deze manoeuvres zijn:

voorafgaande controles;

keren in een smalle straat;

parkeren/stilstaan achter een voertuig.

 

1. Voorafgaande controles

Het examen begint met het manoeuvre “ Voorafgaande controles” wanneer het voertuig geparkeerd staat op de openbare weg of op een privé-terrein, parking, ... De controles omvatten:

 

a. Afregelingen

De examinator zal de kandidaat vragen om zijn zetel, al naargelang, zo ver mogelijk naar voor/achter te bewegen en zijn linkerbuitenspiegel te ontregelen. Nadien zal de kandidaat verzocht worden om de zetel terug in de correcte positie te zetten en de buitenspiegel opnieuw af te regelen en zijn gordel aan te doen om het examen op de openbare weg te beginnen. Er wordt van de kandidaat verwacht dat hij:

de zitplaats zetel opnieuw in de juiste positie plaatst;

dat hij zijn zitpositie nagaat door het koppelingspedaal in te drukken, zijn been moet lichtjes gebogen zijn;

de helling van de rugleuning nagaat door zijn armen boven het stuur te houden zonder dat hij de rugleuning verlaat, de polsen moeten ter hoogte van het stuur komen;

de goede positie van de hoofdsteunen nagaat. Indien de kandidaat het hoofd lichtjes naar achter buigt moet dit ondersteund worden door de hoofdsteun;

zijn achteruitkijkspiegels correct instelt;

dat hij zijn gordel niet gedraaid aandoet, dat deze niet te hoog of te laag bij de hals komt zodanig dat de armbewegingen niet gehinderd worden.

 

b. Controles

Systematische controles: In de mate waarin de technische controle van het voertuig moet uitgevoerd zijn, zal er steeds een deel van de controles gevraagd worden. Het gaat om:

ontwaseming vooraan/ontvriezing achteraan;

lichten (dimlichten/grootlichten/mistlichten);

geluidstoestel;

richtingaanwijzers;

stoplichten.

 

De examinator zal aan de kandidaat vragen om deze bedieningen systematisch één na één te gebruiken.

 

Steekproefsgewijze controles:

Slijtage van de banden. De examinator verzoekt de kandidaat aan te tonen hoe hij de slijtage van zijn banden nagaat. Men verwacht van de kandidaat dat hij zijn wielen draait om het nakijken te vergemakkelijken, dat hij daarna uitstapt en dat hij de groeven die hij nakijkt aantoont. De kandidaat is niet verplicht, maar mag gebruik maken van de slijtage indicatoren, aanwezig op sommige banden. De controle beperkt zich tot één voorwiel van het voertuig.

Bandenspanning. De examinator verzoekt de kandidaat aan te tonen hoe hij zijn bandenspanning nagaat. Men verwacht van de kandidaat dat hij aantoont waar het ventiel zich bevindt. Indien de kandidaat enkel over een elektronisch systeem beschikt dat de bandenspanning op dashboard aanduidt, verwacht men van de kandidaat dat hij op het dashboard aanduidt waar de bandenspanningsmeter zich bevindt.

Motorolie. De examinator verzoekt de kandidaat aan te tonen waar hij het oliepijl van de motor nakijkt. Men verwacht van de kandidaat dat hij de motorkap van zijn voertuig opent en dat hij deze laat steunen op de steunstang. Daarna duidt hij aan waar het oliereservoir zich bevindt. Daarna moet de kandidaat de motorkap sluiten en er zich van vergewissen dat deze goed gesloten is alvorens terug in te stappen. Men zal aan de kandidaat niet vragen om het oliepeil effectief te controleren. Indien het voertuig niet uitgerust is met een niveaupeilstok in het motorcompartiment, maar enkel met een elektronische oliepeilmeter op het dashboard, verwacht men van de kandidaat dat hij aantoont waar deze oliemeter zich bevindt op het dashboard.

Remvloeistof. De examinator verzoekt de kandidaat aan te tonen waar het remvloeistofreservoir zich bevindt. Men verwacht van de kandidaat dat hij de motorkap van zijn voertuig opent en dat hij deze laat steunen op de steunstang. Daarna duidt hij aan waar het niveau van de remvloeistof zich bevindt. Vervolgens moet de kandidaat de motorkap sluiten en er zich van vergewissen dat deze goed gesloten is vooraleer terug in te stappen. Indien het voertuig niet uitgerust is met een niveaupeilstok in het motorcompartiment, maar enkel met een elektronische remvloeistofmeter op het dashboard, verwacht men van de kandidaat dat hij aantoont waar de remvloeistofmeter zich bevindt op het dashboard.

Koelvloeistof: De examinator verzoekt de kandidaat aan te tonen waar hij het niveau van de koelvloeistof controleert. Men verwacht van de kandidaat dat hij de motorkap van zijn voertuig opent en dat hij deze laat steunen op de steunstang. Daarna duidt hij aan waar het niveau van de koelvloeistof zich bevindt. Vervolgens moet de kandidaat de motorkap sluiten en er zich van vergewissen dat deze goed gesloten is alvorens terug in te stappen. Indien het voertuig niet uitgerust is met een niveaupeilstok in het motorcompartiment, maar enkel met een elektronische koelvloeistofmeter op het dashboard, verwacht men van de kandidaat dat hij aantoont waar de koelvloeistofmeter zich bevindt op het dashboard.

Product ruitenwisser: De examinator verzoekt de kandidaat aan te tonen waar hij het product voor de ruitenwissers toevoegt. Men verwacht van de kandidaat dat hij de motorkap van zijn voertuig opent en dat hij deze laat steunen op de steunstang. Vervolgens moet de kandidaat aanduiden waar het reservoir voor het product van de ruitenwissers zich bevindt. Vervolgens moet de kandidaat de motorkap sluiten en er zich van vergewissen dat deze goed gesloten is alvorens terug in te stappen.

 

Indien de kandidaat één van de verwachte punten tijdens het manoeuvre niet uitvoert, of wanneer hij dit niet correct uitvoert, dan weerhoudt de examinator de fout op het protocol.

 

c. Voorzorgen

 

De proef betreffende de te nemen voorzorgsmaatregelen bij het uit – en instappen van het voertuig zal uitgevoerd worden tijdens de proef parkeren/stilstaan.

 

De examinator zal aan de kandidaat vragen om:

de motor van het voertuig stil te leggen en uit te stappen alsof hij een boodschap zou gaan doen in een winkel

uit het voertuig te stappen ermee rekening houdend dat hij zich op een rijbaan bevindt waar andere weggebruikers aanwezig zijn

zich op de stoep te begeven.

 

Men verwacht van de kandidaat:

 

dat hij de motor stillegt en de handrem optrekt, met of zonder ingeschakelde versnelling

dat hij de vensters en het schuifdak sluit

dat hij in zijn linker achteruitkijkspiegel kijkt vooraleer hij zijn portier opent

dat hij door de opening van zijn portier kijkt alvorens dit volledig te openen, geen enkele bijzondere methode wordt vereist om het portier te openen

dat hij zijn voertuig op slot doet.

 

2. Keren in een straat

 

De examinator vraagt aan de kandidaat om te keren in een welbepaalde straat. Dit zal gebeuren in een straat met één rijbaan met 2-richtingsverkeer. De kandidaat kiest zelf de meest geschikte plaats om het manoeuvre uit te voeren. De aanvangspositie wordt vrij gekozen door de kandidaat.

 

De examinator oordeelt i.f.v. de verkeersveiligheid en in het bijzonder naar de kijktechniek en de hinder veroorzaakt aan het vlottend verkeer.

 

3. Parkeren achter een voertuig

 

De examinator vraagt aan de kandidaat om het voertuig achteruit te parkeren of te laten stilstaan achter een geparkeerd/stilstaand voertuig op de openbare weg op de rechterkant. Dit zal gebeuren in een straat met één rijbaan met 2-richtingsverkeer.

 

De examinator oordeelt of de kandidaat het manoeuvre in alle veiligheid te kan uitvoeren. Tijdens de uitvoering van de manoeuvres:

mogen de deuren niet geopend worden

moeten de richtingaanwijzers gebruikt worden

is het dragen van de gordel verplicht

het overhangend deel van het voertuig mag over de boordstenen heen zwenken

het aanbrengen van markeringen om het parkeren/stilstaan te vergemakkelijken is verboden

het veranderen van de richting van de spiegels is niet toegelaten

 

Opgelet: Het examen vormt een geheel; bijgevolg, in geval van niet slagen, dienen ook de manoeuvres opnieuw te worden afgelegd tijdens een volgend examen.

 

De proef op de openbare weg omvat bovendien:

 

Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

Rijden door bochten

Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;

Inhalen en voorbijrijden: inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

Speciale verkeerselementen, waaronder: rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand;

Beheersing van het voertuig: correct gebruik van achteruitkijkspiegels en de lichten, correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, hoofdsteun, zitplaats, stuurinrichting;

Zuinig en milieuvriendelijk rijden: letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen.

Goed kijken: rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels, dichtbij, verder weg, ver kijken;

Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres, naderen en oversteken van kruispunten;

Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig, voorsorteren;

Veilige afstand: voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig; voldoende afstand bewaren ten opzichte van andere weggebruikers;

Snelheidsbeperkingen;

Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

Het geven van signalen: signalen geven op de juiste momenten, correct reageren op signalen van andere weggebruikers.

Remmen en stoppen: tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden, anticipatievermogen.

 

 

 

© 2013 FOD Mobiliteit en Vervoer